Walter P. Chrysler deed ervaring op in de autobranche bij Buick, waar hij van 1912 tot 1920 de leiding had. Het bleek een goede leerschool te zijn geweest, want toen Chrysler in 1924 met een eigen auto kwam, de 70, was dat een groot succes. Het eerste jaar stroomde er voor vijftig miljoen dollar aan orders binnen.
Chrysler breidde door dat succes razendsnel uit en in 1928 werden de merknamen Plymouth en De Soto geïntroduceerd. Ook werd het merk Dodge door overname aan het concern toegevoegd en werden de luxe modellen onder de naam Imperial uitgebracht.
Pogingen om in de jaren dertig al een gestroomlijnde auto op de markt te brengen mislukten, want de Chrysler Airflow sloeg niet aan bij het publiek. Desondanks werd Chrysler voor de Tweede Wereldoorlog het op één na grootste automerk in de Verenigde Staten.
Na de oorlog verschenen er Chryslers met heel sterke V8-motoren op de markt. De auto's waren zelfs goed voor records, want in 1956 vestigde de de 300B het wereldsnelheidsrecord voor personenwagens met 225 km/h. Begin jaren zestig verdween de merknaam De Soto en kocht Chrysler het Franse Simca en de Engelse Rootes Group op. Successen bleven echter uit, waarna in 1978 de firma's weer werden afgestoten. Daarna ging het snel bergaf met Chrysler, waarbij miljardenverliezen werden geleden.
Lee Iacocca haalde Chrysler in de tweede helft van de jaren tachtig uit de gevarenzone en zorgde voor terugkeer op de Europese markt. In 1998 werd besloten tot een fusie met
Daimler-Benz. Die fusie is imiddels weer ongedaan gemaakt en het Amerikaanse merk staat nu weer op eigen benen met ondersteuning van investeringsmaatschappij Cerberus.
www.chrysler.nl