De basis voor het topmerk van General Motors is ironisch genoeg gelegd door Henry
Ford. Die verliet namelijk in 1902 de Henry
Ford Company en werd er opgevolgd door Henry Leland. Die veranderde de naam in Cadillac, de Fransman die in 1701 de nederzetting stichtte waaruit later Detroit zou ontstaan.
De eerste Cadillac was slechts een eenvoudige auto, maar al snel kwamen er grotere, meer luxueuze modellen. Al in 1909 ging Cadillac deel uitmaken van General Motors, hoewel het merk een eigen koers bleef varen. In 1912 al waren Cadillacs voorzien van een Delco elektrisch systeem voor verlichting, ontsteking en het starten van de auto.
Vanaf 1915 beperkte Cadillac zich tot één model met een 5,1 liter V8-motor. Twee jaar later verliet Henry Leland het bedrijf en richtte hij
Lincoln op, een merk dat later weer in handen van
Ford zou komen. De Cadillacs uit de jaren twintig waren niet sensationeel, maar wel modern. Eén Cadillac uit die periode springt eruit: de 452 uit 1930, want dat was 's werelds eerste auto met een zestiencilinder motor in V-vorm.
Na de oorlog kwam Cadillac als eerste met de 'staartvinnen' en vanaf 1952 werden alle modellen op één na standaard met automaat geleverd. Ook bij Cadillac groeide de inhoud van de motoren, tot zelfs 8,2 liter. Maar de oliecrisis dwong ook dit statusmerk tot zuinigere en dus kleinere motoren.